Standaardisatie van psychoactieve drugs: tussen orde en wanorde

We zoeken naar specifieke effecten in de drugs die we gebruiken, of we die nu als goed voor onze gezondheid, ter ontspanning of voor de kick, of als sleutel tot andere werelden zien. Maar de effecten van drugs zijn afhankelijk van ons geestelijk en lichamelijk gestel, van onze cultureel bepaalde verwachtingen over hun effecten, en van invloeden uit onze sociale omgeving.

Sinds de jaren 1970 moeten drugs die door de farmaceutische industrie op de markt worden gebracht steeds meer voldoen aan bepaalde algemeen geldende standaarden. Deze standaarden zijn gebaseerd op statistische resultaten: d.w.z op de gemiddelde effecten die ze hebben op de gebruiker. Op deze manier willen we meer veilige drugs verkrijgen. De SSRI’s als Prozac en Seroxat zijn hiervan een bekend voorbeeld, maar het gaat eigenlijk om alle psychoactieve drugs.

Tegelijk willen we drugs die aansluiten bij ons individuele profiel. Dat individuele profiel definieren we echter aan de hand van algemene standaarden. Waar we in de jaren zestig en zeventig moeite hadden met drugs die ons ‘normaal’ maakten en geschikt voor het werk van alledag, lijken we die nu juist te willen. Maar de standaarden van de drugs gelden alleen voor de gemiddelde mens, en wie is er gemiddeld?

Brengt standaardisatie meer orde in de productie en het gebruik van psychoactieve drugs, of juist meer wanorde? De paradox van orde en wanorde wordt nader onderzocht in een speciaal nummer van  Studies in History and Philosophy of Biological and Biomedical Sciences dat nu in druk is en geredigeerd is door Toine Pieters en mijzelf.

Wij denken dat bestudering van het proces van standaardisatie iets kan zeggen over het disciplineren van onze mind-bodies en over onze eigen rol daarin.

 

E-History

De geesteswetenschappen gaan langzaam maar zeker het digitale tijdperk in. Steeds meer en steeds meer omvangrijke databestanden van historische documenten worden via het internet beschikbaar voor historici. Dit roept wezenlijke problemen voor de methodologie van het onderzoek op.
Met andere onderzoekers zal ik hierover spreken op een workshop over e-history op donderdag 23 juni in het NIOD in Amsterdam.

VOC-mentaliteit en wetenschap

Vijf jaar geleden baarde de toenmalige minister-president Jan Peter Balkenende nogal wat opzien in de media en het parlement door pleidooien voor een terugkeer naar wat hij noemde de ‘VOC-mentaliteit’. Dit schoot menigeen in het verkeerde keelgat. Hoewel de kennis over het verleden van de meeste Nederlanders zonder meer beperkt kan worden genoemd, waren de initialen ‘V.O.C.’ bij velen toch bekend. De Verenigde Oost-Indische Compagnie was de eerste multinationale onderneming ter wereld en speelde een sleutelrol in onder meer de de handel in nu voor de consument verboden drugs als opium, en in de schepping van een Nederlands koloniaal rijk in gebieden als het huidige Indonesië, Maleisië, Ceylon en Zuid-Afrika. Balkenende associeerde de VOC-mentaliteit dan ook met de daadkracht, durf en ondernemingslust die hij in het moderne Nederland vaak miste.

Niet iedereen had dezelfde positieve associaties met het begrip. Linkse politici als Jan Marijnissen en Wijnand Duyvendak verwierpen de erfenis van de VOC als een van roof en kolonisatie – soms ook van slavenhandel, hoewel dat eigenlijk het terrein was geweest van collega’s van de VOC als de West-Indische Compagnie (WIC).

Beide zijden in dit debat hadden natuurlijk gelijk. Zonder durf, daadkracht en ondernemingslust viel en valt er geen handelsrijk op te bouwen. En ook niet zonder een mentaliteit die niet terug deinst voor roof en plundering. In een beroemd hoofdstuk in Das Kapital beschrijft Karl Marx de wat hij noemde ‘oorspronkelijke accumulatie’ van kapitaal, het met geweld verwerven van kapitaalsgoederen zoals grond, en het onteigenen van anderen dat een fundamentele voorwaarde was voor het ontstaan van de kapitalistische productiewijze. Op eenzelfde manier monopoliseerde de VOC met geweld de handel in Zuidoost-Azië, in gevecht met andere Europese mogendheden als Engeland en Portugal, of dwong de WIC Afrikaanse arbeidskrachten als slaaf te werken op plantages in Zuid-Amerika, een essentiële voorwaarde voor de internationale suikerproductie en – handel. Hoe zeer deze beide kanten van de VOC-mentaliteit ook samenhangen, het leggen van een verband tussen geslaagde handelsexpansie en gewelddadige roofzucht doet voor velen vandaag de dag af aan het image van de VOC (en was in dit geval ook een handige stok voor zijn politieke tegenstanders om Balkenende mee te slaan).

Van de VOC naar de moderne wetenschap lijkt een enorme stap, maar is dat niet. In het ontstaan van die moderne wetenschap wordt door historici een sleutelbetekenis toebedacht aan de wetenschappelijke revolutie(s) van de zestiende en zeventiende eeuw. In deze tijd zou het ideaal van een op objectieve waarneming gebaseerde kennis tot volle wasdom zijn gekomen, met een belangrijke rol voor iconische figuren als Galileo, René Descartes en Isaac Newton. De natuurwetenschappen zouden zich toen bevrijd hebben van dogmatiek en religie, en de empirische methoden ontwikkeld hebben die in het huidige universitaire onderricht de studenten ingepompt worden.

In zijn recente studie Matters of Exchange bestudeert de Amerikaanse historicus Hal Cook de essentiële bijdrage van Nederland aan het ontstaan van de moderne wetenschap. De moderne methoden van objectieve waarneming en waarheidsgetrouw en gedetailleerd rapporteren heeft in de analyse van Cook alles te maken met het culturele klimaat van de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw. Een republiek zonder sterk aristocratisch gezag, maar waarin de kooplieden en de stedelijke regenten die uit hun midden kwamen de voornaamste machtsfactor waren. Inderdaad, dezelfde kooplieden en regenten die de VOC en de WIC oprichtten en bestuurden: een voorbeeld van de nauwe samenwerking en overlapping tussen overheid en private ondernemingen waar de Nederlandse welvaart altijd op gebaseerd is geweest.

Kooplieden, aldus Cook, hadden om zaken te kunnen doen betrouwbare afspraken nodig, vastgelegd in contracten. Ze moesten ervan uit kunnen gaan dat hun partners die contracten nakwamen. Die betrouwbare vastlegging liep parallel aan de betrouwbare vastlegging van de natuurlijke wereld: de nauwgezette observatie van natuurlijke verschijnselen door de geleerden, die dat vastlegden in hun boeken en tijdschriften. Een betrouwbare waarneming die door anderen nagedaan kon worden. Net zoals de details in de contracten van de kooplieden moesten kloppen, moesten de details in de geschriften van de geleerden dan ook kloppen.

De kooplieden waren zakelijk en praktisch ingesteld. In hun handelscultuur was geen plaats voor grote concepten over hoe de wereld in elkaar zit. Met de Aziaten aan de andere kant van de wereld hoefde men niet te overleggen wie de wereld heeft geschapen om het eens te worden hoeveel opium er geleverd kon worden. Ook hier ziet Cook een belangrijke parallel met de moderne wetenschap. Die zou niet meer vanuit theorieën waarnemen, maar beschrijven wat men zag, of dat nu planten en dieren in de tropen, de loop van de sterren of het binnenste van het menselijk lichaam betrof. De ontwikkeling van het handelskapitalisme en van de moderne wetenschap gingen daarmee hand in hand.

In de alledaagse praktijk zal dit allemaal wat minder prachtig zijn toegegaan. Net zoals we weten dat kooplieden informatie voor elkaar achterhielden, sjoemelden met contracten (daarom gaat handel ook met een groei in rechtsspraak samen) en om kort te gaan niet altijd even betrouwbaar waren, zo weten we dat de geleerden – zelfs de beroemdste – ook niet altijd waarheidsgetrouw waren. Ze vervalsten waarnemingen om zo hun gelijk te halen, schreven elkaar zonder bronvermelding over, en hielden informatie voor elkaar geheim. Logisch, want het bedrijven van wetenschap was net als het bedrijven van handel een bron van inkomsten en maatschappelijke vooruitgang – zoals het nog steeds is vandaag de dag. En bovendien bestond en bestaat er natuurlijk geen praktisch waarnemen zonder theoretische vooronderstellingen (of ‘paradima’s’), al is het alleen maar omdat je van tevoren moet weten waar je naar gaat kijken. Over de onmogelijkheid hiervan zijn inmiddels hele bibliotheken volgeschreven, hoewel dat in het zelfbesef van het wetenschappelijke bedrijf niet altijd zijn sporen nagelaten.

Maar dit terzijde. Afgezien van deze weerbarstige praktijk kunnen we de parallelle ontwikkeling die Cook beschrijft nog een stap verder nemen. Als de kooplieden en regenten van de Republiek ergens door gegrepen waren, dan wel door de door Balkenende zo geprezen VOC-mentaliteit. Handel ging dan ook samen met verovering en kaaptochten, iets waar nog wel wat andere kwaliteiten voor nodig waren dan het gunstig afsluiten en getrouw nakomen van contracten: denk maar aan de eigenschappen nodig voor een geslaagd zeerover als Piet Hein, die in dienst van de WIC de Spaanse zilvervloot veroverde.

Nu hadden de kooplieden en regenten van de Republiek voor hun handelsexpansie en kaaptochten informatie over de natuurlijke wereld nodig, met name die buiten Europa: om te beginnen geografische en cartografische informatie, maar ook medische en antropologische informatie. Voor het verkijgen hiervan was nauwgezette empirische waarneming niet de enige vereiste. Het verzamelen van die kennis ging gepaard met avontuurlijke tochten, gewelddadige ontmoetingen en het bedriegen van concurrenten en anderen. Kortom: de ontstaansperiode van de moderne wetenschap was onlosmakelijk verbonden met een VOC-mentaliteit.

Die vinden we het meest uitgesproken bij reizigers en geleerden die de wereld buiten Europa aandeden. Veel verkregen informatie was afkomstig uit wat we nu bedrijfsspionage zouden noemen. De boeken van Jan Huygen van Linschoten uit de jaren 1590, met beschrijvingen van verschillende delen van de wereld die hij ten dele zelf had aangedaan, waren vooreen belangrijk deel gebaseerd op zijn ervaringen in dienst van hoogwaardigheidsbekleders in het Portugese koloniale rijk. De kooplieden van de Republiek konden er bijvoorbeeld uit ontlenen waar op de oceaan ze verversingen voor hun schepen op de verre tocht naar Azië konden laten inslaan om scheurbuik te voorkomen.

De koopman Dierick Ruyters zat in de jaren 1610 gevangen in Brazilië, waar hij het Spaans-Portugese monopolie op de handel had willen ontduiken. Uit gevangenschap ontsnapt en teruggekeerd in de Republiek verwerkte hij de door hem opgedane kennis, vooral over zeeroutes maar ook over preventie en behandeling van ziektes in de tropen, in zijn boek De toorts der zeevaart. Later vocht Ruyters mee in de Nederlandse pogingen om Brazilië te veroveren.

Andere onderzoekers trokken de binnenlanden van Brazilië in om, zoals rond 1640 de Duitser Georg Marcgraf in dienst van de WIC, geneeskrachtige planten te ontdekken tussen de ‘wilde’ Tapuya-indianen, die hun vijanden nog opaten. Een eeuw later bezocht een Zwitserse chirurgijn op een Zeeuwse slavenhaler, David Henry Gallandat, een door blanken gemeden stad aan de Ivoorkust om de geneeswijzen van de Afrikaanse heelmeesters gade te slaan.

VOC-mentaliteit, nieuwsgierigheid en interesse in andere culturen, en het vermogen tot observeren en rapporteren: het waren allen evenzeer onmisbare ingrediënten in het vergaren van kennis buiten Europa. De linkse critici van Balkenende hadden natuurlijk gelijk toen ze hem wezen op de andere kant van de medaille van de VOC-mentaliteit. Maar de ene kant van de medaille kan misschien niet zonder de andere. En dat geldt niet alleen voor de ontwikkeling van de handel.

Mijn studie over de rol van de VOC-mentaliteit in de ontwikkeling van de tropische geneeskunde verschijnt in het najaar bij uitgeverij Atlas.

 

 

 

 

 

Historicus en publicist